Zorgvuldig vastleggen van afspraken van belang!

Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde enige tijd geleden over de uitleg van een beëindigingsovereenkomst. De zaak was als volgt. Werkgever en werkneemster maken een afspraak over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkneemster treedt daarbij op verzoek van werkgever in dienst bij een zustervennootschap. De werkgever bevestigt de gemaakte afspraken in een brief. Onder meer de volgende afspraak wordt bevestigd: de werkneemster zal vanwege het wegvallen van de buitenlandvergoeding en woonvergoeding gedurende twee jaar worden gecompenseerd door middel van een eenmalige uitkering van ruim € 85.000,- bruto.

Een maand nadat de werkneemster bij de zustervennootschap in dienst treedt, zegt zij de arbeidsovereenkomst op. De werkgever voldoet de eenmalige compensatie- uitkering niet, omdat zij van oordeel is dat het bedrag bestemd was ter compensatie voor de komende twee jaar bij het in dienst zijn van de zustervennootschap. De werkgever heeft in de bevestigingsbrief niet de voorwaarde opgenomen dat werkneemster bij het zusterbedrijf gedurende langere tijd in dienst zou moeten blijven. Het hof oordeelt dat de compensatieregeling moet worden vastgesteld aan de hand van het geen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Kortom: niet alleen de letterlijke schriftelijke vastlegging speelt een rol bij de vaststelling van rechten en verplichten tussen partijen, maar ook de (bewijsbare) bedoeling van partijen. Het hof stelt de werkneemster in staat om bewijs te leveren van haar stelling dat zij aanspraak maakt op de eenmalige uitkering.

Het Hof oordeelt dat de werkneemster in het bewijs is geslaagd. Het Hof oordeelt onder meer dat, voor zover werkgever betoogt dat de compensatieregeling alleen aan werkneemster zou worden uitbetaald vanuit het wederzijds commitment of onder de voorwaarde dat de werkneemster voor minimaal voor drie maar zeker meer dan twee jaar voor het zusterbedrijf werkzaam zou zijn, niet blijkt uit de getuigenverklaringen. Verder is onvoldoende aannemelijk geworden dat de werkneemster, voordat zij bij de zustervennootschap in dienst trad, al van plan was om de arbeidsovereenkomst kort daarna op te zeggen.

De moraal van het verhaal: de werkgever had er goed aan gedaan om aan de compensatievergoeding een uitdrukkelijke voorwaarde te verbinden. Die voorwaarde had kunnen inhouden dat de compensatievergoeding alleen zou worden uitbetaald als de werkneemster gedurende een langere tijd bij het zusterbedrijf in dienst zou blijven. De werkneemster is geslaagd in het bewijs dat een dergelijke voorwaarde niet door de werkgever is bedongen. Kortom: de werkgever trekt aan het kortste eind en dient de ruim € 85.000,- aan de werkneemster te betalen.

Wilt u meer informatie of heeft u concrete vragen over dit onderwerp? Dan kunt u contact met mij opnemen via ns@windroosadvocatuur.nl, 06-20421687

Deel via: