Overtreding geheimhoudings- en relatiebeding heeft een prijskaartje

Een werkgever ontslaat een werknemer op staande voet wegens overtreding van het geheimhoudings-en relatiebeding. Het ontslag op staande voet houdt stand. De werkgever vordert betaling van boetes wegens overtreding van het geheimhoudings- enrelatiebeding. De rechtbank Noord-Holland wijst de vorderingen toe tot een totaalbedrag van € 117.000,-. De rechtbank ziet geen reden om de boetes te matigen.

De werknemer had de functie van commercieel manager. Nadat de werkgever een onderzoeksbureau heeft ingeschakeld, blijkt dat van meerdere overtredingen van het geheimhoudings- en relatiebeding sprake is. Samengevat: het geheimhoudingsbeding verplicht de werknemer tot volledige geheimhouding, zo wel ten aanzien van de werkzaamheden, organisatie en klanten en/of relaties, alsmede ten aanzien van onder andere de activiteiten, marktpositie en de bedrijfspolitiek van de werkgever. De werknemer had het beding 8 maal overtreden. Op elke overtreding stond een boete ter hoogte van één brutomaandsalaris (€ 6.500,=). De werknemer had tevens het relatiebeding overtreden(10 maal), waar per overtreding dezelfde boete op stond.

De rechter kan een boete matigen op grond van de billijkheid. Namelijk, als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt.

De omstandigheden om de boete niet te matigen waren de volgende. De werknemer heeft niet gesteld dat betaling van het totale bedrag ad € 117.000,= een financiële last is die hij niet zou kunnen dragen. De werknemer heeft evenmin andere relevante omstandigheden genoemd die aanleiding zouden kunnen zijn voor matiging. Verder is voldoende gebleken dat de werkgever schade heeft geleden.Gebleken is namelijk dat de werkgever een klant/relatie is kwijtgeraakt na het ontslag van de werknemer, waarbij voldoende aannemelijk is dat dit mede verband houdt de schending van het geheimhoudingsbeding.

De werknemer heeft ook niet betwist dat het verlies van een klant heeft geleid tot het wegvallen van omzet, waarbij de schade over 2017 en 2018 wordt geschat op een bedrag van ruim € 286.000,=. De werkgever koos ervoor om de boete te vorderen.Uit de uitspraak blijkt dat er geen schadevergoedingsbeding in de arbeidsovereenkomst was opgenomen. Op grond van de wet echter had de werkgever ook ervoor kunnen kiezen om schadevergoeding te vorderen. De omvang van geleden schade is vaak moeilijk te bewijzen, uit deze uitspraak blijkt echter dat schade ten gevolge van het verlies van een klant is vastgesteld, mede het gevolg is van het gedrag van de werknemer en door de werknemer ook niet is betwist.

De werknemer heeft zijn gedrag flink moeten bezuren. De werkgever was in staat om de overtredingen te bewijzen. Dat is vaak lastig. Hoe had de werkgever dat voor elkaar gekregen? Onder meer door een zogenaamd bewijsbeslag te leggen op fysieke en digitale documenten. Verder had de werkgever een onderzoeksbureau ingeschakeld.

Als het bewijs van overtreding van een geheimhoudings-, relatie- en/of concurrentiebeding (en fraudeleus handelen in het algemeen) kan worden geleverd, kan de rechter de werknemer naast een boete veroordelen in de kosten die de werkgever heeft gemaakt om het bewijs rond te krijgen. Dat kunnen interne kosten zijn, maar ook kosten van een ingeschakeld onderzoeksbureau. De rechter past hier een zogenaamde dubbele redelijkheidstoets toe. Deze toets houdt in dat de rechter moet beoordelen of het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt en zo ja, of de omvang ervan redelijk is.

Met het verhalen van kosten op de (ex)werknemer kunnen grote bedragen gemoeid zijn.Twee voorbeelden: in 2014 veroordeelde de rechter een ING-medewerker tot betaling van € 70.000,= aan interne onderzoekskosten (naast schadevergoeding van € 500.000,=wegens fraudeleus gedrag). ING had betaling van € 140.000,= aan intern onderzoekskosten gevorderd. De rechter kon echter niet vaststellen of dat bedrag in zijn geheel redelijk was.

In 2012 veroordeelde de rechter zeven wegens fraude ontslagen BCC-medewerkers tot hoofdelijke betaling van € 57.000,= aan onderzoekskosten. BCC had een bedrag van € 87.000,= gevorderd.

Het is aan te raden om bij het inschakelen van een extern onderzoeksbureau een goed bekendstaand bureau in te schakelen en geen "cowboy". Let er daar bij op dat het bureau de Privacygedragscode van de Nederlandse Veiligheidsbranche hanteert. Bij een onderzoek door een aa-accountant/registeraccountant is de Praktijkhandleiding Persoonsgerichte Onderzoeken van toepassing. Dit soortregels en het nakomen ervan zorgen ervoor dat een onderzoek niet snel zal stranden wegens onzorgvuldig handelen.

Tenslotte:in de hierboven beschreven zaak voerde de werknemer onder meer als verweer aan dat de werkgever het bewijs onrechtmatig had verkregen. Hij stelde dat het onderzoek prematuur en disproportioneel was. De rechtbank ging aan dit verweer voorbij. De rechtbank overwoog hierbij dat de onderzoeksresultaten als bewijs konden dienen. In het burgerlijk recht is onrechtmatig bewijs ook bewijs,uitzonderingen daargelaten (de rechtbank oordeelde in deze zaak overigens niet dat er sprake was van onrechtmatig bewijs).

Wilt u meer informatie of heeft u concrete vragen over dit onderwerp? Dan kunt u contact met mij opnemen via ns@windroosadvocatuur.nl, 06-20421687

Deel via: