Op het snijvlak van verbintenissenrecht en arbeidsrecht

Wat is de invloed van ‘gewoon’ verbintenissenrecht op ‘speciaal’ arbeidsrecht? Meer dan we allemaal denken, of toch niet?

Ons wetboek heeft een gelaagde structuur. Dit betekent dat - te kort gezegd - de wet letterlijk van laag tot laag is opgebouwd. Eerst algemeen en daarna steeds specifieker. Een arbeidsovereenkomst is een specifieke verbintenis en daarom kunnen algemene leerstukken uit het verbintenissenrecht hierop van toepassing zijn.Een goede kennis van het verbintenissenrecht kan dus behulpzaam zijn bij een goede interpretatie van eventuele rechten uit een arbeidsovereenkomst.

Zo kreeg ik recent een uitspraak onder ogen van een kantonrechter die de vraag moest beantwoorden of een geschil over salariëring dat zich afspeelde in 2011, en kennelijk niet was opgelost, in 2018 onderdeel van een vordering kon zijn. De werkgever stelde zich op het standpunt dat de werknemer niet binnen bekwame tijd zijn vordering kenbaar had gemaakt van de (kennelijk) gebrekkige prestatie van de werkgever. Hij wilde niet betalen, maar werd hierin niet door de rechter gevolgd.

Hierbij deed de werkgever een beroep op artikel 6:89 BW. Een artikel uit het algemene deel van het verbintenissenrecht dat in boek 6 van ons wetboek is opgenomen, terwijl de arbeidsovereenkomst is geregeld in boek 7. Artikel 6:89 BW bepaalt dat: “De schuldeiser (werknemer) kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar (werkgever) terzake heeft geprotesteerd.”

Er wordt over het algemeen aangenomen dat voor een geldvordering geen beroep op dit artikel gedaan kan worden omdat het geschreven is voor geleverde zaken zoals een gekochte stoel of bank. Toch is de discussie interessant, omdat het wel iets zegt over het tijdstip waarop een werknemer, wanneer in zijn of haar ogen door de werkgever te weinig geld wordt overgemaakt, dit moet aankaarten.

Het artikel waar een beroep op werd gedaan is een uitwerking van het leerstuk van rechtsverwerkingen, dat inhoudt dat er een moment kan zijn dat, in dit geval, de werkgever erop heeft mogen vertrouwen dat er geen aanspraak op een bepaald recht gemaakt wordt. Er gelden nog wel meer vereisten voor een rechtsgeldig beroep op rechtsverwerking, maar ik sta even stil bij het vertrouwen dat er geen beroep op een eventueel recht gedaan meer zal worden. Want is het niet zodat een werknemer elke maand een loonstrook krijgt waarop staat wat aan hem wordt betaald? En als er geen overwerk op vermeld staat, dat zal een werknemer dat toch (moeten) zeggen. Een foutje kan worden gemaakt en kan ook van eenvoudig rechtgezet worden. Ik kan mij geen werkgever voorstellen die geen overuren betaalt terwijl die wel gemaakt zijn. Maar als een werknemer met een stuwmeer aan niet uitbetaalde overuren komt wanneer hij is ontslagen, dan kan ik mij voorstellen dat een dergelijk recht op die overuren is verwerkt. Dan is er rechtens geen aanspraak meer. Ons hoogste rechtscollege heeft ook aangenomen dat een werknemer, die maandelijks kon checken of de betalingen klopten, zijn rechten had verwerkt toen hij wel een vordering instelde.

En daarom ben ik van mening dat, hoewel artikel 6:89 BW wellicht lastig toe te passen is in het arbeidsrecht, dit artikel, als uitwerking van het algemene beginsel van rechtsverwerking tot een andere uitkomst zou hebben kunnen leiden. Zoals zo vaak weten we alleen niet alle feiten die tot een bepaald oordeel hebben geleid.

Wilt u meer informatie of heeft u concrete vragen over dit onderwerp? Dan kunt u contact met mij opnemen via mg@windroosadvocatuur.nl, 06-50262027

Deel via: