Kan de Staat een contractuele vertrekvergoeding dwarsbomen?

Hoe ver strekt de bemoeienis van de Staat bij contractuele vertrekregelingen?
Voor enkele sectoren is die bemoeienis wettelijk vastgelegd. Denk aan de Wet Normering Topinkomens (WNT) voor de publieke en semi-publieke sector.

Maar hoe zit dat bij ondernemingen die buiten deze sectoren vallen? Contractsvrijheid staat hier voorop.

In een onlangs gepubliceerd vonnis van de kantonrechter Amsterdam speelde het volgende. Werkgever was Royal IHC, een scheepsbouwer, onder meer actief in de markt van baggerschepen.

IHC nam eind 2020 afscheid van haar ceo. De Staat had IHC voor grote bedragen kredietgaranties verstrekt. Zij had daarbij aan IHC onder meer als voorwaarde gesteld dat de ceo, die moest vertrekken, geen aanspraak zou maken op een vertrekvergoeding. IHC en de ceo legden hun geschil met betrekking tot een contractuele vertrekregeling voor aan de kantonrechter. Die oordeelde: de contractuele afspraken gaan vóór op afspraken tussen IHC en de Staat.

De kantonrechter kende de ceo de contactuele vertrekvergoeding (iets meer dan € 500.000,- bruto) toe. De Staat stond met lege handen: de rechter oordeelde dat er geen juridische grondslag is om de Staat te laten ingrijpen in een afspraak tussen private partijen. Dit, terwijl toenmalig minister Wiebes namens de Staat had aangegeven dat de ceo zonder vertrekvergoeding de onderneming zou verlaten.

Dat gebeurde dus niet. De uitspraak van de kantonrechter is eigenlijk niet bijzonder. De overheid kan niet zomaar als derde partij ingrijpen in een contract tussen twee private partijen. Het aardige van deze zaak is om een parallel te trekken met uitspraken van 10 jaar geleden met betrekking tot bij ABN Amro vertrokken hoge managers. Dat vertrek vond plaats tegen de achtergrond van de reddingsoperatie die de Staat in het kader van de kredietcrisis had uitgevoerd. Toenmalig minister van financiën Wouter Bos keerde zich tegen de diverse vertrekregelingen. Ook hier moest de Staat het onderspit delven. Ook daar besliste de rechter (het gerechtshof Amsterdam) dat afspraken tussen partijen dienden te worden nagekomen.

Tot een aantal jaren geleden vonden er ook discussies plaats over zorgbestuurders die vertrokken met hoge vertrekvergoedingen. Een illustratief voorbeeld betrof de bestuurder van het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam, die destijds vertrok nadat een bacterie-uitbraak in het ziekenhuis niet goed door hem was gemanaged. De contractuele ontslagvergoeding, bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst overeengekomen, liep in de tonnen. Ook hier speelde het adagium dat gemaakte afspraken dienen te worden nagekomen. De Staat had overigens geen bemoeienis met deze zaak. Inmiddels zijn hoge vertrekregelingen in de zorgsector aan banden gelegd door wet- en regelgeving (WNT).

Conclusie: in sectoren waar geen wet- en regelgeving van toepassing is ten aanzien van beloningen en vertrekregelingen, kan de Staat geen formele invloed uitoefenen op contractuele vertrekregelingen. Dat zou wellicht anders kunnen zijn onder zeer bijzondere omstandigheden. Tot nu toe is daar echter geen sprake van geweest.

Een troost voor de Staat is wel dat een vertrekregeling volledig fiscaal wordt belast. Bij een door de wetgever als excessief bestempelde vertrekregeling geldt bovendien een extra hoog tarief, namelijk van 75% (af te dragen door de werkgever) over het deel dat als excessief wordt aangemerkt. In 2021 ligt het excessieve gedeelte boven de € 568.000,- bruto. Dit speelde onder andere bij het vertrek van de voormalig topman van Heineken, die een vertrekpremie van 5,5 miljoen euro meekreeg. Heineken diende daar fiscaal over af te rekenen. Zo komt de Staat toch nog enigszins aan haar trekken.

Wilt u meer informatie of heeft u concrete vragen over dit onderwerp? Dan kunt u contact met mij opnemen via ns@windroosadvocatuur.nl,
06-20421687.

Deel via: