Ging de kantonrechter haar (wet)boekje te buiten?

De kantonrechter Leeuwarden besliste begin dit jaar in een ontslag op staande voet zaak. Het volgende speelde. Een werknemer, een manager Finance en ICT, bezoekt gokwebsites. Hij gebruikt daarbij geld van de werkgever, in elk geval voor een bedrag van zo'n 6 ton. De werkgever ontslaat de werknemer wegens een dringende reden op staande voet.

De kantonrechter kwalificeert het gedrag als een dringende reden voor ontslag op staande voet. Ook bij een ontslag op staande voet kan echter een transitievergoeding worden toegekend. Het handelen van de werknemer dat kwalificeert als een dringende reden is namelijk niet perse ernstig verwijtbaar (hoewel dat in de meeste gevallen wel zo zal zijn). De kantonrechter meent dat het gedrag van de werknemer hem in mindere mate kon worden aangerekend en om die reden niet ernstig verwijtbaar is. Zij overweegt dat aannemelijk is dat de werknemer door zijn depressies en vermijdende persoonlijkheidsstoornis in sterk verminderde mate in staat is geweest om zijn wil met betrekking tot het gokken en, meer specifiek, de voorbereidingshandelingen (geld onttrekken van de werkgever), in vrijheid te bepalen.

De werkgever is op grond van de wet dan ook een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd. De kantonrechter beslist echter anders: het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om aan de werknemer een transitievergoeding toe te kennen. De motivatie van de kantonrechter luidt, samengevat, dat de werkgever door het handelen van de werknemer grote schade heeft geleden.

Zij stelt daartoe dat de wetgever niet in een situatie als deze heeft voorzien. Wel in een spiegelbeeldige situatie: de wet bepaalt dat in een situatie waarin geen transitievergoeding is verschuldigd (omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen/nalaten) toch een vergoeding kan worden toegekend, indien het niet toekennen ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De toelichting op de wet vermeldt als voorbeeld dat de werknemer een relatief kleine misstap heeft begaan (die wel als ernstig verwijtbaar kwalificeert) na een langdurig dienstverband.

De kantonrechter trekt een parallel met de spiegelbeeldige situatie, welke dus wél een wettelijke basis heeft. De kantonrechter beroept zich hierbij op een algemene bepaling uit de wet(de zogenaamde beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid). De rechter  moet deze bepaling met terughoudendheid toepassen. Hoewel deze beslissing voor de werkgever gunstig uitwerkt en in deze zaak gevoelsmatig wel begrijpelijk is, roept dit toch vragen op. De wettelijke regeling met betrekking tot de transitievergoeding is namelijk van dwingend recht en gedetailleerd uitgewerkt.

De in detail uitgewerkte wettelijke regeling is het resultaat van afweging van de verschillende belangen van werkgevers en werknemers, zodat er sprake is van een evenwichtige ontslagbescherming.  Dit betekent dat er nóg minder aanleiding zal zijn voor de rechter om de regeling op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing te laten. Dit overweegt de advocaat-generaal in haar advies in een zaak die recentelijk is beslist door de Hoge Raad. In die zaak speelde de vraag of een werknemer ook kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd aanspraak maakt op de (volledige) transitievergoeding. De Hoge Raad meent van wel. Hij overweegt onder meer dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat de wettelijke regeling van de transitievergoeding ertoe kan leiden dat een werknemer die kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt ontslagen, recht heeft op een transitievergoeding die hoger is dan het loon dat hij zou hebben ontvangen wanneer hij in dienst zou zijn gebleven. Ook de advocaat-generaal oordeelt dat er geen reden is om van de wettelijke regeling af te wijken.

Het komt mij voor dat als de wetgever in een situatie als door de kantonrechter is beslist  wilde voorzien (namelijk geen transitievergoeding, ook al heeft de werknemer niet ernstig verwijtbaar gehandeld)zij dat wettelijk zou hebben geregeld. Gelijk als dat is gebeurd in de spiegelbeeldige situatie en ook ten aanzien van de andere limitatief in de wet genoemde situaties . De wetgever heeft dat echter niet gedaan. De vraag is dan ook of de rechter de vrijheid toekomt om te beslissen dat toch geen aanspraak op een transitievergoeding bestaat. Hoe begrijpelijk de uitkomst in deze zaak ook mag zijn, ik denk dat de kantonrechter haar boekje te buiten is gegaan. De werknemer heeft overigens geen hoger beroep ingesteld.

Wilt u meer informatie of heeft u concrete vragen over dit onderwerp? Dan kunt u contact met mij opnemen via ns@windroosadvocatuur.nl, 06-20421687

Deel via: